Langzaam open ik mijn linkeroog en zie ik alleen geel. Als ik mijn rechteroog ook open, blijkt dit de muur te zijn. De bankleuning duwt oncomfortabel in mijn linkerwang, maar gelukkig lig ik nog stabiel. Wakker worden half naast de bank is geen pretje, en al helemaal niet op deze hoge leuning.

Terwijl ik nog naar de muur staar – hoe komt deze toch zo dichtbij? – hoor ik iets op de bank. Geritsel, een pagina die omgeslagen wordt…Er zit iemand op de bank! Ik draai mijn hoofd en knipper. Daar zit mijn baasje.

Langzaam loopt hij de straat in, de brommende bus achterlatend. Hij is hier niet eerder geweest, maar komt nu met een missie: Lieke opzoeken. Nu Lieke niet meer reageert, begonnen haar vrienden zich zorgen te maken. En hij heeft nou eenmaal de reservesleutels Voor hem strekt de weg zich uit: hoge huizen met stenen voortuinen. Twee rijen bomen flankeren de weg, ongetwijfeld ooit bedoeld om de straat levendiger te maken maar nu met afbladerende bast en weinig takken. De donkere bladeren hingen zwaar, en druppelde regenwater op de geparkeerde auto’s. Los van het kletsen van zijn voetstappen, was het ritmische getik van druppels op autodaken het enige geluid dat nog echt tot hem doordrong.