De straat

Langzaam loopt hij de straat in, de brommende bus achterlatend. Hij is hier niet eerder geweest, maar komt nu met een missie: Lieke opzoeken. Nu Lieke niet meer reageert, begonnen haar vrienden zich zorgen te maken. En hij heeft nou eenmaal de reservesleutels Voor hem strekt de weg zich uit: hoge huizen met stenen voortuinen. Twee rijen bomen flankeren de weg, ongetwijfeld ooit bedoeld om de straat levendiger te maken maar nu met afbladerende bast en weinig takken. De donkere bladeren hingen zwaar, en druppelde regenwater op de geparkeerde auto’s. Los van het kletsen van zijn voetstappen, was het ritmische getik van druppels op autodaken het enige geluid dat nog echt tot hem doordrong.

Hoe Lieke hier terecht was gekomen was hem een raadsel. Ze woonde hier gewoon. Het was een sippe aangelegenheid. Het gevallen water op de weg verzamelde zich op het asfalt, vol metalige regenbogen. Hij pauzeerde om de regenlucht op te snuiven, de zoete zomergeur gevangen in het frisse water. Hij rook voornamelijk olie.

Een rilling trok door hem heen, hij slaat zijn jas strakker om zijn lijf. Misschien was het toch niet zo slim geweest zonder trui op pad te gaan, maar nu was het te laat. De stenen huizen, ooit licht gekleurd maar nu donker uitgeslagen, staken grimmig af tegen de kozijnen van de ramen. Gietijzeren hekken bakenen de voortuinen af, geen sprietje onkruid waagt het om tussen de kieren omhoog te groeien. De gordijnen achter de ramen zijn dicht, bij een enkel huis drijft een sliertje rook uit de schoorsteen. De enige indicatie dat er mensen wonen.

Voor nummer 39 staat hij stil. Dit moet het zijn. Met zijn hand op een krul van de poort ademt hij een paar keer diep in, werpt een laatste blik op de straat en duwt het hek krakend open.

(Opdracht ‘Beschrijf een omgeving’, Editio proefcursus)